Bezuinigingsplannen zijn nooit populair, dus dat veel publieke omroepen zouden mopperen over de plannen van staatssecretaris Dekker van Mediazaken viel te verwachten. Toch staat er hier meer op het spel dan de belangen van de omroepen. Een overheid die radio- en televisieomroepen gaat financieren op basis van “kwaliteit en creativiteit” en tegelijkertijd een streep zet door alle zendtijd voor religieuze minderheden: dat zou aanleiding moeten zijn voor veel bredere ongerustheid en verontwaardiging. De achterliggende ideologie kan niet anders dan totalitair genoemd worden.

Om te beginnen bij de religieuze minderheden: die hebben ooit zendtijd gekregen vanuit het eerbiedwaardige idee dat we in een werkelijk pluriforme samenleving niet enkel naar de roeptoeters van de dominante meerderheid hoeven te luisteren. De overheid stelde zich daarbij neutraal op, en faciliteerde slechts de mediapresentie van de belangrijkste religieuze richtingen in ons land: katholieken, protestanten, joden, humanisten, later ook boeddhisten, enzovoort. Niet zozeer zodat zij voor eigen parochie of gemeente konden prediken (daarvoor hadden ze heus al hun kansels en kerkbulletins), maar juist zodat zij in de breedte van de samenleving gehoord kunnen worden. Dat is niet alleen van belang voor die groepen zelf, maar ook voor een samenleving die niet door wantrouwen, vooroordelen en onbegrip geregeerd wil worden.

Het is ironisch, om niet te zeggen wrang, dat Dekker nu de zogeheten 2.42-omroepen rücksichtslos om zeep helpt met een beroep op de religieuze neutraliteit van de staat, terwijl die omroepen nu net om die neutraliteit te borgen in het leven zijn geroepen. Neutraliteit is blijkbaar iets anders gaan betekenen in de loop der jaren. Eerst betekende het: iedere religieuze of ideologische groepering moet in het publieke domein gelijkelijk zijn stem kunnen laten horen. Nu betekent het: alle gelovigen moeten in het openbaar hun mond houden. Je hoeft zelf niet gelovig te zijn om je tegen een dergelijke verschraling van het neutraliteitsbeginsel te verzetten.

En het wordt allemaal nog ironischer. Want diezelfde staatssecretaris die zo vol is van de neutrale staat, zegt de omroepen te willen gaan financieren op basis van “kwaliteit en creativiteit”. We lezen daar makkelijk overheen, of vinden het eigenlijk wel prima – hèhè, eindelijk wat minder pulp op tv. Maar wat is hiermee werkelijk geïmpliceerd? Dat de overheid, via een Hilversumse apparatsjik, voor ons gaat bepalen wat kwalitatief goede televisie is. Hoe is dat te toetsen? Wie bepaalt de criteria? Op basis van welke waarden, religieus of anderszins? Kortom: hoe is dit te rijmen met die ‘neutrale staat’? Kwaliteit van bijvoorbeeld onderwijs of zorg zijn redelijk goed te kwantificeren, en daarom is het prima dat de overheid zich daarmee bemoeit. Een radio- of televisieprogramma is echter van een andere orde: dat is in belangrijke mate een creatief product. Een overheid die zich tegen de inhoud daarvan aan gaat bemoeien, pleegt censuur.

Onder het mom van noodzakelijke bezuinigingsacties vergroot onze overheid haar grip op Hilversum, stelt zij uniformiteit boven diversiteit, en gaat zij direct bepalen welke opvattingen wel en niet verkondigd mogen worden via de media. Niet de broekriem, maar de teugels worden aangehaald.

Anton de Wit
Religiejournalist en katholiek blogger

Dit artikel is als opiniebijdrage verschenen in de Volkskrant van 13 december 2012 en overgenomen met toestemming van de auteur.