De traditionele kersttoespraak van paus Benedictus XVI van afgelopen vrijdag heeft veel kwaad bloed gezet bij mensen. Katholiek.nl kreeg bijvoorbeeld meer dan 100 uitschrijvingen en vele uitermate boze reacties binnen.

Diverse media berichtten dat de paus tegen homo’s en het homohuwelijk veroordeelt. Echter neemt Benedictus deze woorden geen enkele keer in de mond. Hij spreekt wel over gender en doet een pleidooi voor het traditionele gezin van man en vrouw. De paus betreurt het dat seksualiteit een sociale rol is, en geen deel meer uitmaakt van de ‘natuurlijke orde’. Benedictus vindt dat kinderen de dupe kunnen worden als het gezinspatroon een sociale, inwisselbare rol wordt. Dat is geen nieuw geluid.

In een reactie vanmorgen in Trouw noemt kerkhistoricus Peter Nissen de ophef ‘overdreven’. Hij vindt de pauselijke rede een „theoretische exercitie over intermenselijke relaties” waarin de kwestie homohuwelijk niet in voorkomt. „De hype is ontstaan door een mogelijke interpretatie. Je kunt de tekst op deze manier lezen, maar dan zet je wel een aantal stappen verder dan de paus.” De uitspraken van de paus bevatten volgens de kerkhistoricus niets nieuws. „Dit ligt in de lijn van de traditie van de Rooms-Katholieke Kerk. Ook de voorgangers van de huidige paus vonden dit.”

Hieronder de passages:

De grote vreugde, waarmee in Milaan gezinnen uit de hele wereld elkaar hebben ontmoet, toont aan dat het gezin, ondanks veel aanwijzingen die het tegendeel doen vermoeden, ook vandaag nog sterk en levendig is. Maar onbestrijdbaar is toch ook de crisis, die het gezin – in het bijzonder in de Westerse wereld – tot in haar fundamenten bedreigt. Het was indrukwekkend dat de Synode herhaaldelijk de betekenis van het gezin aangaf als de aangewezen plaats waar de basisvormen van het menselijk bestaan worden doorgegeven. Die worden geleerd doordat ze met elkaar geleefd en ook geleden worden. Zo werd duidelijk, dat het bij de vraag naar het gezin niet alleen om een bepaalde sociale vorm gaat, maar om de vraag naar de mens zelf – om de vraag, wat de mens is en hoe men dat doet, op juiste wijze mens zijn. De uitdagingen, waar het om gaat zijn complex. Ten eerste is er de vraag naar het bindend vermogen of gebrek aan bindend vermogen van de mens. Kan hij zich levenslang binden? Is dat overeenkomstig zijn wezen? Weerspreekt dat niet zijn vrijheid en de breedte van zijn zelfverwerkelijking? Wordt de mens niet eerder zichzelf, als hij bij zichzelf blijft en met anderen slechts betrekkingen aangaat, die hij ieder gewenst moment weer kan afbreken? Is zich levenslang binden niet het tegendeel van vrijheid? Is de binding ook waard om er voor te lijden? De afwijzing van de menselijke binding, die is gebaseerd op een verkeerd begrip van vrijheid en zelfverwerkelijking, zoals ze zich in de vlucht voor het geduld met betrekking tot het lijden meer en meer uitbreidt, betekent, dat de mens in zichzelf blijft en zijn ego uiteindelijk voor zichzelf behoudt en niet echt overschrijdt. Maar alleen in het geven van zich zelf komt de mens tot zichzelf, en alleen als hij zich voor de ander, voor de anderen, de kinderen, het gezin opent, alleen als hij zichzelf door het lijden laat veranderen, ontdekt hij de volle breedte van het mens zijn. Met de afwijzing van deze binding verdwijnen ook de basiselementen van het menselijk bestaan: vader, moeder, kind, en vallen wezenlijke manieren van ervaren van het mens zijn weg.

De werkelijke gevaren voor het gezin

De opperrabbijn van Frankrijk, Gilles Bernheim, heeft in een zorgvuldig gedocumenteerde en ontroerende verhandeling laten zien, dat de aanval op de ware vorm van het gezin van vader, moeder, kind, waarmee we ons vandaag geconfronteerd zien, nog een dimensie dieper reikt. Zagen we al eerder een verkeerd begrip van het wezen van de menselijke vrijheid als een reden voor de crisis van het gezin, zo toont zich nu, dat de visie op het zijn zelf, van datgene, wat mens zijn in werkelijkheid betekent, op het spel staat. De opperrabbijn citeert de beroemde woorden van Simone de Beauvoir: “Men wordt niet als vrouw geboren, maar men wordt het.” (“On ne naît pas femme, on le devient”). In deze woorden is de basis gegeven, van wat men vandaag de dag onder het trefwoord “gender” als een nieuwe filosofie van de seksualiteit presenteert. Het geslacht is in deze filosofie niet langer een natuurlijk gegeven dat de mens moet aanvaarden en persoonlijk met zin vervullen, maar het is een sociale rol, waarover men nu zelf beslist, terwijl tot op heden de samenleving daarover besliste. De diepe onwaarheid van deze theorie en van de in haar gegeven antropologische revolutie is duidelijk. De mens bestrijdt, dat hij een door zijn lichamelijkheid bepaalde natuur heeft, die voor het wezen mens kenmerkend is. Hij ontkent zijn natuur en besluit dat deze hem niet gegeven is, maar dat hij die zelf bepaalt. Volgens het Bijbelse verslag van de schepping, behoort tot het wezen van het schepsel mens, dat hij door God is geschapen als man en vrouw. Deze dualiteit is essentieel voor het mens-zijn, zoals God hem dat heeft gegeven. Juist deze dualiteit als gegeven wordt betwist. Niet langer geldt nog wat in het scheppingsverhaal staat: “Man en vrouw schiep Hij hen” (Gen. 1, 27). Nee, nu geldt, niet God schiep hen als man en vrouw, de samenleving heeft dat tot nu toe gedaan en nu beslissen we dat zelf. Man en vrouw als werkelijkheden van de schepping, als menselijke natuur bestaat niet meer. De mens bestrijdt zijn natuur. Hij is nog slechts geest en wil. De manipulatie van de natuur, die we vandaag de dag voor ons milieu aanklagen, wordt hier tot een basisbeginsel van de mens in de omgang met zich zelf. Er bestaat alleen nog de abstracte mens, die zich zo iets als zijn natuur zelf kiest. Man en vrouw in hun uit de Schepping voorkomende aanspraak als elkaar aanvullende gestalten worden bestreden. Als echter de uit de Schepping stammende dualiteit van man en vrouw niet meer bestaat, dan bestaat ook het gezin als door de schepping gegeven werkelijkheid niet meer. Maar dan heeft ook het kind zijn plaats tot nu toe en zijn daaraan ontleende waardigheid verloren. Bernheim laat zien dat het kind nu noodzakelijk van een eigen rechtssubject tot een object wordt, waar men recht op heeft en dat men zich kan aanschaffen omdat men daar recht op heeft. Waar de vrijheid van het maken wordt tot de vrijheid van het zich-zelf-maken, wordt noodzakelijkerwijs de Schepper zelf geloochend en daarmee uiteindelijk ook de mens als goddelijke schepping, als evenbeeld van God en zo in het eigenlijke van Zijn zijn gedegradeerd. In de strijd om het gezin gaat het om de mens zelf. En het wordt zichtbaar, dat daar, waar God geloochend wordt, ook de waardigheid van de mens verdwijnt. Wie God verdedigt, verdedigt de mensen.

De volledige vertaling is te lezen op RKDocumenten. De oorspronkelijke Engelse tekst staat op de website van het Vaticaan.